Wanneer mensen handelen, trekken zij daar impliciet conclusies uit.
Niet alleen over de situatie, maar vooral over zichzelf.
Voorbeelden:
Ik trok me terug, dus blijkbaar hoor ik hier niet echt bij.
Ik nam het voortouw, dus ik moet sterk blijven.
Ik voelde spanning, dus ik kan dit niet aan.
Deze conclusies ontstaan vaak onbewust.
Zij worden onderdeel van het narratief dat iemand ontwikkelt over wie hij is en wat veilig voelt.
Zelfinterpretatie verschilt van reflectie.
Reflectie is bewust.
Zelfinterpretatie is meestal impliciet en automatisch.
In veel psychologische benaderingen wordt gedrag gezien als gevolg van overtuigingen.
Binnen INR wordt gedrag mede gezien als bron van zelfinterpretatie.
Wat iemand doet beïnvloedt hoe iemand zichzelf gaat zien.
Zelfinterpretatie speelt een centrale rol binnen de Narrative-laag van het INR Model.
Inner Needs bepalen gevoeligheid.
Ervaring bepaalt context.
Zelfinterpretatie bepaalt betekenis.
Wanneer basisbehoeften structureel onder druk staan, ontstaat zelfinterpretatie die bescherming logisch maakt.
Zo kan iemand bijvoorbeeld gaan geloven:
Ik moet het alleen doen.
Ik moet altijd presteren.
Ik moet me aanpassen om erbij te horen.
Deze interpretaties vormen de basis voor het persoonlijke narratief.
INR integreert zelfinterpretatie in de gedragsarchitectuur door te laten zien hoe betekenisvorming gedrag over tijd stabiliseert.
Zelfinterpretatie is daarmee geen losse theorie, maar een functionele schakel binnen het model.