Mensen reageren niet direct op gebeurtenissen, maar op de betekenis die zij eraan toekennen. Die betekenis ontstaat door herhaalde ervaringen waarin behoeften wel of niet werden vervuld.
Wanneer autonomie structureel wordt beperkt, kan betekenisgeving verschuiven naar “ik heb hier weinig invloed”.
Wanneer competentie wordt ondermijnd, kan het narratief worden “ik moet extra voorzichtig zijn”.
Wanneer verbondenheid onzeker is, kan betekenis ontstaan rondom aanpassing of terughoudendheid.
Betekenisgeving gebeurt grotendeels impliciet. Het is geen bewuste keuze, maar een intern proces dat bepaalt wat logisch, veilig of noodzakelijk voelt.
Gedrag volgt niet de situatie zelf, maar de betekenis die eraan wordt toegekend.
Binnen het INR Model vormt betekenisgeving de kern van de Narrative-laag. Inner Needs beïnvloeden waar iemand gevoelig voor is. Betekenisgeving vertaalt ervaringen naar een innerlijk verhaal. Reaction volgt als logisch gedrag binnen dat verhaal.
Zonder betekenisgeving zou gedrag direct uit behoefte voortkomen. Met betekenisgeving ontstaat het persoonlijke referentiekader dat gedrag stuurt.